Sessie 2 Graven

JE LEVENSVERHAAL

Wie je bent, hoe je reageert op je omgeving, wat je belangrijk vindt, heeft veel te maken met ‘de aard van het beestje’ maar heeft zich ook gedurende je leven gevormd. Ervaringen uit het verleden, de manier waarop jij kreeg wat je nodig had, hoe je voorkwam dat je met pijn werd geconfronteerd, gedurende je kinderjaren, bij het ontdekken van de wereld, door ervaringen op het werk. Al deze ervaringen hebben je stukje bij beetje gevormd. Om te voorkomen dat je wel denkt te weten hoe ‘je in elkaar steekt’, is het goed om ‘op zoek’ te gaan naar ‘bepalende ervaringen’ uit jouw verleden.

Opdracht 2.1 Graven in mijn (levens)ervaringen
Deel je leven op in periodes van 6 tot 9 jaar (afhankelijk van je leeftijd). Beschrijf per periode enige mooie en minder mooie (eigenlijk vervelende) herinneringen. Dit kunnen ervaringen zijn in je thuissituatie, met je omgeving, je werk, vrienden, neem dit ruim. Vraag mensen uit dat verleden naar hun beeld bij jou in die periode of bij die ervaring. Neem hiervoor ruim de tijd en beschrijf ze uitgebreid (je hebt dit bij de volgende opdracht nodig). Leg dit als je even ‘vastloopt’ een paar dagen opzij en ga dan weer verder.

Inleveren 2.1
Een bondig overzicht van alle door jou beschreven herinneringen (bijvoorbeeld een regel per herinnering).

Fijne en minder fijne herinneringen (verleden)
Wat de herinneringen aan deze ervaringen nu nog met jou doen zijn een belangrijke indicator voor jouw gedrag in het heden. In wezen nijg je naar het reageren op de emoties die een soortgelijke ervaring nu, destijds bij jou opriep. Je wilt je verdedigen, je gaat in de aanval, je vlucht of je bevriest. Jouw reactie is waarschijnlijk een variant van een van deze drie. En je merkt dat deze reactie (nu) niet meer functioneel is. Dát maakt jou ontevreden met jouw huidige functioneren. Reflexen maken het leven soms wel overzichtelijker, je hoeft niet bij alles na te denken. Maar soms zijn reflexen niet (meer) functioneel.

Opdracht 2.2 Wat maakt de meeste indruk?
Lees je levensverhaal nog eens door. Haal uit je levensverhaal de, in jouw beleving drie of vier belangrijkste positieve en drie of vier belangrijkste negatieve herinneringen. Wat waren je emoties en reacties bij deze ervaringen in het verleden? Wat doet het nu nog (emotioneel) met jou wanneer je op dit moment terugdenkt aan die momenten? Probeer zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven wat het met je doet, welke emotie je voelt (angst, pijn, blijdschap, vredigheid, etc.) en waar in jouw lichaam je deze emotie het sterkst ervaart (hoofd, buik, benen, etc.), ook weer zo nauwkeurig mogelijk.

Inleveren 2.2
Van de drie of vier belangrijkste positieve en drie of vier belangrijkste negatieve herinneringen de uitgebreide beschrijving en een uitgebreide beschrijving van emotie en gevoelens daarbij.

Opdracht 2.3 De coachvraag (2)
Kijk nog eens naar de eerste versie van jouw coachvraag. Overweeg wat je van de opdracht in deze sessie hebt opgestoken over jezelf. Is je coachvraag ongewijzigd of zijn er nieuwe inzichten die van invloed zijn op jouw coachvraag en wordt deze concreter of misschien iets anders of ligt de nadruk ergens anders. (Her)formuleer jouw coachvraag.

Inleveren 2.3
Een tweede (geredigeerde) versie van jouw coachvraag.